Het poldermodel kreeg in 1997 pas echt de naam ‘poldermodel’, terwijl het model in de jaren tachtig al tot ontwikkeling is gekomen als gevolg van een economische crisis. Het poldermodel wordt vaak in één adem genoemd (of zelfs gelijkgeschakeld) met het begrip ‘overlegeconomie’. Dit klopt gedeeltelijk, want de overlegeconomie maakt slechts een onderdeel uit van het poldermodel.

Het poldermodel bestaat uit een mix van monetair beleid, loonbeleid en begrotingsbeleid. In deze mix stonden vier doelen centraal:
1) loonmatiging
2) flexibilisering van de arbeidsmarkt
3) het terugdringen van het overheidstekort
4) het stabiel houden van de koers van de toenmalige gulden.

ad 1) loonmatiging
Begin jaren tachtig was sprake van een negatieve loon-prijsspiraal. Dit houdt in dat de relatief hoge lonen er voor zorgden dat de kosten voor het maken van goederen en diensten ook hoog waren (loonkosten worden immers doorberekend in de totale kostprijs van een product). Deze hoge kosten vertaalden zich in hoge verkoopprijzen, zodat werknemers op hun beurt weer pleitten voor hogere lonen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. In het Akkoord van Wassenaar uit 1982 werd tussen werkgevers- en werknemersorganisaties afgesproken om de lonen te matigen in ruil voor nieuwe banen. Hier komt de overlegeconomie om de hoek kijken. Dit overleg tussen werkgevers en werknemers werd vanaf dat moment structureel en zorgde voor meer draagvlak bij zowel werkgevers als werknemers. Door het principe van consensus tussen werkgevers en werknemers uit het Akkoord van Wassenaar structureel toe te passen was de overlegeconomie geboren.

ad 2) flexibilisering van de arbeidsmarkt
De flexibilisering van de arbeidsmarkt bestond uit twee onderdelen. Het eerste is vermindering van regelgeving voor bedrijven waardoor het simpeler werd om nieuwe werknemers aan te trekken. Het tweede onderdeel was het in toenemende mate gebruik maken van parttime personeel (deeltijdwerk), tijdelijke contracten en uitzendkrachten.

ad 3) het terugdringen van het overheidstekort
De overheid heeft sterk bezuinigd op personeel en op materiële uitgaven. Ook heeft de overheid veel taken geprivatiseerd (afgestoten). Vooral op het gebied van sociale zekerheid is meer marktwerking doorgevoerd.

ad 4) Stabiel houden van de koers van de gulden
In die tijd is de koers van de gulden gekoppeld aan de koers van de Duitse mark. Het voordeel voor Nederland was dat de Duitse mark in die tijd een stabiele koers had met een goede reputatie bij beleggers. Door deze koppeling werd in zowel Nederland als Duitsland een lage rentestand bewerkstelligd. Deze lage rente zorgde ervoor dat ondernemers weer gingen investeren en dit was op haar beurt weer gunstig voor de werkgelegenheid.

Advertentie