Thomas Robert Malthus (1766-1834) was afkomstig uit een welgesteld en in intellectueel opzicht stimulerend milieu. Zijn vader, Daniel Malthus, was bevriend met de bekende filosoof David Hume en ook de Franse denker Rousseau kwam bij hem over de vloer.

De jonge Thomas Robert volgde een theologische studie in Cambridge en werd geestelijke. Vader en zoon discussieerden regelmatig met elkaar, onder andere over een in die tijd befaamd werk van een zekere William Godwin, waarin de wereld een uiterst rooskleurige toekomst werd voorgespiegeld, zonder honger en met veel gerechtigheid en vrije tijd. De oude Malthus zag wel wat in dit soort ideeën, maar zijn zoon was sceptisch. Om zijn vader te overtuigen schreef Malthus in 1798 zijn befaamde An Essay on the Principle of Population as It Affects the Future Improvements of Society, with Remarks on the Speculations of Mr. Godwin, M. Condorcet, and Other Writers. Aanvankelijk verscheen het boek anoniem, latere drukken vermeldden zijn naam. De tweede druk bevatte aanmerkelijk meer feitenmateriaal dan de eerste, hetgeen te danken was aan een aantal studiereizen die hij maakte naar Frankrijk, Zwitserland, Zweden, Finland, Noorwegen en Rusland.

De harmonische wereld die door enkele achttiende-eeuwse denkers was uitgedacht, werd vervangen door een grimmige Malthusiaanse werkelijkheid, waarin de mens een ongelijke strijd streed tegen honger, oorlogen en andere ellende. Het was na het lezen van Malthus’ sombere publicatie, dat de Engelse historicus Carlyle de economie een dismal science , een zwartgallige wetenschap, noemde.

De theorie van Malthus kan zeer eenvoudig worden samengevat:
(1) De omvang van de bevolking wordt beperkt door de beschikbare hoeveelheid voedsel.
(2) Een toename van de voedselproductie lokt een bevolkingsgroei uit die sneller gaat dan die van de bestaansmogelijkheden.
(3) Om te voorkomen dat er hongersnoden uitbreken, dienen checks (remmingen) te zorgen voor een beperking van de bevolkingsgroei.

De tweede stelling bevat de in de economie beroemde wet van de afnemende meeropbrengsten. De voedselproductie kon nooit sneller dan via een rekenkundige reeks toenemen, omdat de beste gronden al in gebruik waren. De bevolking had echter de neiging te groeien via een meetkundige reeks, zodat de ellende te voorspellen was. De derde stelling

had twee kanten. Naast een wat cynisch aspect (hongersnoden en epidemieën zouden vanzelf een nieuw evenwicht tot stand brengen), bevat deze stelling de befaamde moral restraint : zorg voor een afname van het geboortecijfer, vooral door op latere leeftijd te trouwen. Tegen deze achtergrond is de uitspraak van een kennis over Malthus te begrijpen: “Hij is een aardige kerel en beleefd tegen de dames, zolang er maar geen tekenen van naderende vruchtbaarheid zijn waar te nemen”.

Malthus werd hoogleraar in de geschiedenis en de economie aan het Haileybury College, een aan de East India Company verbonden instelling. Vanwege zijn colleges in de economie wordt hij wel eens de eerste beroepseconoom genoemd. Zeer belangrijk is zijn vriendschap met David Ricardo geweest. Ze hebben een uitgebreide correspondentie gevoerd, waaruit blijkt dat ze het in vrijwel elk opzicht oneens waren. Toch hebben ze elkaar diepgaand beïnvloed. Zo zijn bevolkingsgroei en afnemende meeropbrengsten ook bij Ricardo belangrijke pijlers van zijn theorie.

Malthus’ naam is tot in het overdrevene verbonden aan het principe van de overbevolking. Het grote manco in zijn theorie is, achteraf gezien dan, het ontbreken in zijn theorie van enigerlei vorm van vooruitgang in vooral de agrarische techniek. De landbouw is in staat gebleken veel meer mensen te kunnen voeden dan Malthus ooit voor mogelijk heeft gehouden. Dat neemt niet weg dat het principe van een eindige wereld die dus ook een eindig aantal mensen kan voeden, overeind blijft. Het befaamde Rapport van de Club van Rome uit 1972 is daarop gebaseerd.
(Bron: Gorter, G.F. , Het tijdschrift voor het economisch onderwijs, VECON)

Advertentie