Verbruiksbelastingen zijn belastingen die een consument over het verbruik van goederen en diensten betaald. Een verbruiksbelasting is altijd bij de prijs van een product inbegrepen. De consument betaalt dus dagelijks belasting aan de kassa van de supermarkt, het tankstation of bij het overmaken van de telefoonrekening. Verbruiksbelasting wordt altijd door de consument (en nooit door de producent) betaald en wordt daarom ook wel consumentenbelasting of gebruiksbelasting genoemd. In Nederland kennen we twee vormen van verbruiksbelasting: omzetbelasting (btw) en accijnzen.

Verbruiksbelasting

Belasting op het consumeren van goederen

Algemene verbruiksbelasting (btw)

In Nederland is omzetbelasting (btw) de enige algemene verbruiksbelasting. Met ‘algemeen’ wordt bedoeld dat de belasting voor nagenoeg alle producten en diensten geldt. De overheid begon in 1934 met het heffen van omzetbelasting. De reden hiervoor was een aanhoudende economische crisis, waardoor de overheid meer inkomsten nodig had om het land uit de problemen te helpen. Daarvoor werden in andere Europese landen ook al omzetbelasting geheven die als doel hadden om oorlogen te financieren. Inmiddels worden de btw-inkomsten voor andere doeleinden dan oorlog en crisis gebruikt, vooral voor onderhoud van de infrastructuur, onderwijs en zorg. Omzetbelasting is met gemiddeld 20% van de totale belastingopbrengsten één van de belangrijkste inkomstenbronnen van de Nederlandse overheid.

Bijzondere verbruiksbelasting (accijns)

Naast de algemene verbruiksbelasting, kent Nederland ook bijzondere verbruiksbelastingen. ‘Bijzonder’ betekent dat de belasting gericht is op specifiek aangewezen goederen en diensten. Dit zijn onder andere accijnzen op alcohol, tabak en brandstof. De overheid heft accijns om het gebruik van bepaalde goederen af te remmen, omdat ze schade toebrengen aan de gezondheid of het milieu. Producten waarvan de aanschaf wordt ontmoedigd, worden demerit goods of bemoeigoederen genoemd.

Accijnzen worden niet in plaats van omzetbelasting geheven. Een consument betaald over een pakje sigaretten, een volle tank benzine of een Bacardi zowel algemene verbruiksbelasting (omzetbelasting) als bijzondere verbruiksbelasting (accijns). Hoewel accijns in eerste instantie bedoeld is om de consumptie ervan te ontmoedigen, heeft het ook als doel om de overheid van inkomsten te voorzien.

Voor informatie over het verkopen en importeren van accijnsgoederen, ga naar accijns en verbruiksbelasting op de website van de Belastingdienst.

Bijzondere verbruiksbelasting (frisdrankenaccijns)

Accijns is in de regel bedoeld om de consumptie ervan te ontmoedigen. Volgens Europese richtlijnen moet accijnsheffing dan ook beperkt blijven tot producten als tabak, alcohol en brandstof. Nederland is het enige Europese land dat accijns heft over mineraalwater, vruchtensappen en siropen. Omdat dit in strijd is met de Europese regelgeving, heeft Nederland de naam ‘accijns’ veranderd in ‘verbruiksbelasting’. Hoewel in het taalgebruik van frisdrankenaccijns wordt gesproken, spreekt de overheid dus van een bijzondere verbruiksbelasting.

De frisdrankenaccijns heeft als doel om inkomsten te genereren voor de Nederlandse schatkist, maar de overheid wil ook de werking van de markt ermee sturen. Door belasting te heffen op deze producten, wordt de prijs hoger en de vraag lager. Door deze vorm van regulering wil de overheid het aanbod en de vraag als het ware sturen. Waarom de overheid dat wil is onduidelijk, waardoor de belangrijkste reden nog altijd de belastinginkomsten zijn.

Indirecte belasting

In Nederland worden accijns en omzetbelasting geïnd door de Belastingdienst. Verbruiksbelasting wordt niet rechtstreeks door de consument, maar via de detailhandel (winkeliers) aan de overheid betaald. Een klant betaalt belasting aan de kassa en de eigenaar van de winkel is verplicht om de betaalde verbruiksbelasting aan de overheid af te dragen. Daarom wordt gesproken van indirecte belasting.

Advertentie